Sufjan Stevens - The Age of Adz

recensie, aaa-list | vr. 15 oktober 2010 | joris

Hoeveel muziek zou er in iemands hoofd passen? Dat is de vraag die onbewust te binnen schiet bij de eerste draaibeurten van het nieuwe, langverwachte op liedjes leunende album van Sufjan Stevens, The Age of Adz. Het antwoord op die vraag is even flauw als duidelijk: véél, in ieder geval héél véél in het hoofd van de inmiddels 35-jarige Stevens, nadat die het achteraf als grap bedoelde plan van vijftig albums over vijftig Amerikaanse staten uit dat hoofd had gezet.

Voor het maken van The Age of Adz en de hieraan voorafgaande All Delighted People EP van een dik uur, moet het in Stevens’ hoofd wel getold hebben van de ideeën, melodieën, arrangementen, weirde geluidseffecten, waarmee zijn complex opgezette nummers propvol zitten. En met beats. Inderdaad: elektronische beats die anno 2010 de erg aanwezige basis vormen voor de meeste van Stevens’ composities, al hoorde je dat op die nog iets ‘traditioneler’ klinkende EP misschien nog niet direct terug.

Sufjan Stevens - The Age of Adz

Sufjan Stevens - The Age of Adz

Wel op compilatie Dark Was The Night van vorig jaar, waarop Stevens al met beats en vreemde elektronische geluiden toverde in een negen minuten-cover van You Are The Blood (Castanets). Met die eerste nieuwe opname van Stevens in het achterhoofd, is de muzikale koers op The Age Of Adz niet eens heel verrassend. Wel diep overdonderend trouwens, nadat Stevens je met een lieflijk akoestisch intro van twee minuten genaamd Futile Devices nog even zijn oude, vertrouwde singer-songwriter-kant laat horen.

Een miniatuurtje dat ruw wordt doorsneden met de beats van het Too Much, een vroeg hoogtepunt waarin de overvolle ‘Vivaldi-op-xtc-in-space-finale’ je op de eerste gehoren op je benen laat tollen. Na even wennen zijn daar echter de meer bekende Sufjan-elementen uit het verleden die voldoende houvast bieden: de nog altijd prachtige zangmelodieën, de vernuftige arrangementen en de momenten van ongekende schoonheid in de koortjes van zijn begeleiders. De bombast op The Age of Adz bereikt hierna direct een hoogtepunt in het grootste titelnummer, met een intro van elektronische pauken, dissonante blazers, zwierige fluiten en uitbundige koorzang. Een inleiding naar een bizar lied over de vreemde tijden waarin wij leven, door Stevens veel directer en minder introvert gezongen bovendien. Vocaal trekt hij veel meer registers open dan voorheen.

Neen, warme pianoklanken, akoestische, folky gitaren of rustiek tokkelende banjo’s zijn hier heel ver weg. Het woord ‘composities’ in de zin van moderne klassieke muziek is hier veel meer op zijn plek dan ‘liedjes’, zelfs al zijn de songstructuren niet moeilijk te bespeuren. Toch is na deze imposante wildernis van geluid een kalmer liedje als I Walked ronduit prachtig – zelden zong Stevens zo concreet over een kapotte relatie -, evenals een slechts uit pianoklanken en engelenzang opgebouwd rustpunt als het terugblikkende Now That I’m Older.

Even propvol als meeslepend zijn dan weer de elektronischer nummers Get Real Get Right en Vesuvius: verstokte fans moeten misschien wennen, maar zullen na verloop van tijd beslist toch typische Sufjan Stevens-liedjes erin horen; het gevoel in zijn werk is er nog altijd. Ook in het bijna drum ‘n bass-achtige I Want To Be Well, propvol kleine riedels voor violen en fluitjes en een ‘I’m not fucking around’ zingende Stevens.

Het is de opmaat naar een finale waarin hij en band nog wel even compleet over the top mogen gaan, zonder echter in superkitsch te vervallen. Het knotsgekke Impossible Soul klokt dik 25 minuten, bestaat uit meerdere mooie delen en is tegelijkertijd Stevens op z’n meest pretentieus. Inclusief veel koorzang, snerpend gitaargepiel, stoeipartijen met vocoders en Stevens die zijn stem bewerkt met een r ‘n b-autotune-effect die je uit je stoel doet schrikken. En toch kan ik nauwelijks aanwijzen wat er in het kader van inkorten dan úit die 25 minuten had gemoeten; de opbouw is subliem, de ‘Boy, we can do so much more together’-jubelzang had nog minuten mogen doorgaan en voor je het weet worden zeventig minuten muziek net zo intiem en weer akoestisch afgesloten als het begin van The Age of Adz. Beschouw het als vijf losse songs in één, en het is verrassend goed te behappen.

De Kid A van Sufjan Stevens? Zo kun je het gerust noemen: dat Radiohead-album met stevige koerswijziging werkte ook heel even vervreemdend en desoriënterend, waarna de schoonheid zich stukje bij beetje steeds meer openbaarde. Hetzelfde gebeurt – op dit moment van schrijven nog steeds – met The Age Of Adz. Voor wie in is voor avontuur wordt dit nieuwe ambitieuze meesterwerk van Sufjan Stevens na de gewenning alleen maar fraaier en fraaier. Ook al kan vermoeidheid optreden met zo véél muziek. Een boordevol album zoals je het zelden hebt gehoord, om net als bij Illinois van alweer dik vijf jaar geleden om tot tranens toe zielsgelukkig van te worden. (*****)