concertverslag

Le Guess Who?, de vrijdag: uit liefde voor het instrument

A Place To Bury Strangers. Foto: Erik Luyten

Een op papier en in relatieve zin minder avontuurlijke avond betekent op Le Guess Who? doorgaans de dag met de meeste potentiële ontdekkingen en uitdagende acts. De vrijdag van LGW? stelt in dat opzicht zeker niet teleur. Voor de bekendere namen Protomartyr, Viet Cong, Evil Superstars en Blanck Mass kun je makkelijk pendelen tussen Ronda en Pandora, maar er gebeurt elders natuurlijk zoveel meer.

Sta ons toe eerst even terug te blikken op een geslaagde, knusse bandjesavondje in Moira, ter ere van onze eigen verjaardag: het vijfjarig bestaan van Kicking the Habit. We waren van tevoren al blij dat Black Oak wilde komen spelen, de ‘samenvoeging’ van zeer gewaardeerde indiefolkbands The Black Atlantic en I Am Oak. Een muisstil publiek krijgt een uiterst delicaat gemusiceerd voorproefje van het volgend jaar april te verschijnen album Equinox te horen. De rustige liedjes zijn prettig sober ingevuld, zodat alleen maar beter opvalt hoe fraai de stemmen van Geert van der Velde (The Black Atlantic) en Thijs Kuijken (I Am Oak) bij elkaar kleuren, zeker als ze gezamenlijk zingen.

Een nieuwe Pavement-reünie kregen we voor deze gelegenheid niet voor elkaar (lees: geen centen voor), maar gelukkig is er tegenwoordig het Engelse Hooton Tennis Club. Vier jongens uit Liverpool die de die typische, rammelende Amerikaanse nineties indiesound goed beheersen en bovendien heel aanstekelijke, lekker jengelende liedjes kunnen schrijven. Een eerste poging om dat in Moira te laten horen met Up In The Air strandt als de snaren van een gitaar op onverklaarbare wijze sneuvelen. Met een geleend exemplaar komen ze alsnog op stoom om te laten horen dat Jasper en Kathleen Sat On The Arm Of Her Favourite Chair enkele van de leukste liedjes van de nineties-indie-revival zijn.

Even later doet Hop Along-zangeres Frances Quinlan tijdens de soundcheck voor het eerst haar mond open, en de hele zaal staat door die ene uithaal op scherp. Wát een indrukwekkende strot met rauwe, schorre rand heeft zij, die ze volop kan inzetten in de hecht gespeelde, krachtige powerpopsongs van haar band. Veel van die diepgaande liedjes staan op jongste album Painted Shut, waarmee Hop Along zich nog duidelijker op de kaart heeft gezet. Met dit LGW?-optreden hopelijk nog iets meer.

De grote onbekende op de 5 jaar KtH-avond: It It Anita uit Luik, waardoor de vier mannen op festival prime time wel iets minder publiek trekken dan gehoopt. Hun set is er niets minder gedreven en intens om: hun potige, Sonic Youth-achtige noiserock – onlangs op een EP gezet opgenomen met producer John Agnello – klinkt hard, strak en vilein, zoals het hoort. Als het publiek toch iets achteruit is gedeinsd door het sonische geweld, wordt de drumkit afgebroken en in twee minuten weer in de zaal opgebouwd, om van daar vanuit een forse noisemuur in alle heftigheid door te spelen. Qua intensiteit doet It It Anita amper onder voor het vanavond door ons gemiste Metz, laat dat duidelijk zijn.

Eerder op de vrijdag is het net als een dag eerder weer genieten in de Janskerk, waar de in eenvoud uitblinkende schoonheid van Mirel Wagner flirt met absolute stilte. Het klinkt echter wat al te eenvoudig, in die zin dat de sobere muzikale ondersteuning op haar gitaar niet volstaat om alle aandacht bij haar teksten te houden. Om de avond echt op te starten, is wat meer punch nodig.

Bij Kaki King krijgen we echter de andere kant van de medaille: een hoog entertainment-gehalte, maar geen ziel. Indrukwekkende live-projecties op haar gitaar (!) ten spijt, valt Kaki King door de mand door een te hoog bubblegum-gehalte in haar technisch wel begaafde en vaak verhalende gitaarliedjes. Maar goed, dit is dus wel wat we nodig hebben om even wakker te worden.


Kaki King. Foto: Juri Hiensch/LGW?

Die laatste zin is van belang wanneer we ons in TiVre-kamermuziekzaal Hertz settelen voor een dubbel post-klassiek concert van twee grootheden: Deaf Center en Lubomyr Melnyk. Laten we zeggen dat je hieraan beter niet met een nuchtere maag begint. Deaf Center is het Noorse duo dat zich lang stil hield, maar recent weer aan de oppervlakte kwam als zowat dé referentie voor post-klassieke ambient. Al gauw duiken de twee in een peilloos diep dal van waaruit nooit pieken worden verkend, op een sporadisch heuveltje na. De zaal gaat van donker naar donkerst, terwijl de term ‘slaapverwekkend goed’ door het hoofd schiet. Mag u gerust letterlijk nemen, al valt het af te raden om effectief de ogen te sluiten terwijl het pikzwarte universum van Deaf Center zich als een deken rond je wikkelt. Uiteindelijk blijkt drie kwartier onvoldoende, maar we kunnen ons voorstellen dat het de bedoeling was van deze korte, monotone set om elke hoop op licht weg te nemen. Missie geslaagd.

Gevoelsmatig is de muzikale boodschap van Oekraïner Lubomyr Melnyk van een heel andere orde. Het kan niet anders, of we zien met zijn set van liefst negentig minuten – de stagemanager kreeg er enkele grijze haren bij – de meest intrigerende performance van deze Le Guess Who? tot nog toe. Deze meesterpianist mag je gerust een virtuoos of zelfs een moderne Franz Liszt noemen. Als amateurfilosoof hanteert hij een metafysische benadering van muziek waarbij ‘liefde’ steeds centraal staat. Het vormt zijn inspiratie voor wat hij ‘continuous music’ noemt. Iets wat hij tussen stukken door in meerdere vormen tracht uit te leggen, maar waar geen kat iets van begrijpt.

Wij zien vooral een oudere man absurd moeilijke stukken spelen die haast onmogelijk te onthouden zijn. Twee stukken speelt hij met een tape, wegens geschreven voor twee piano’s en overigens ‘unplayable by anyone else on this planet’. Bij I Love You is de zang evenwel overbodig en ook de puurheid van zijn performance is niet perse gebaat bij die dubbele piano, ware het niet dat het afgespeelde deel telkens vervaagt en Melvyk voor je het in de gaten hebt helemaal alleen iets ongeziens doet. The Windmill – een stuk van een half uur – komt volledig tegemoet aan de grootsheid die rond deze man zweeft. Het eindigt puur solo met het verhaal van de vernietigde windmolen wiens ziel naar de hemel zweeft; een passage die dankzij ‘continuous music’ perfect wordt vertaald naar een piano, voor wie we volgens Melvyk het meeste applaus moeten over hebben.

Vlak voor hij bijna letterlijk van het podium wordt gesleurd, herhaalt Melvyk nog eens: ‘And remember… when you go home, try to notice all the beauty around you’. Gezegend door zijn briljante performance en de intieme sfeer, duurt deze mooie illusie toch een dikke dertig seconden. Dat is de tijd die nodig is om Hertz buiten te wandelen en een op ‘Plein 5’ gedraaid ‘Hotline Bling’ tegemoet te lopen. Zo’n briljant contrast komt geen tweede keer voor in een mensenleven. Bravo.


Lubomyr Melnyk. Foto: Tim van Veen

What’s wrong with this picture? Zoals hij daar staat – linkerhand in zijn broekzak, een flesje bier omklemd in zijn rechterhand, een slecht zittend confectiepak – lijkt Protomartyr-zanger Joe Casey nog het meest op een wat morsige schrijver die in zijn nadagen bij Adriaan van Dis mag aanschuiven om te praten over zijn laatste boek. ‘Wat kan ik voor je inschenken? Een glaasje water of rode wijn?’ Maar Casey schuift niet aan bij een boekenprogramma, hij staat koel op het podium in de Pandora. Casey lijkt niet helemaal op zijn plaats te zijn, maar is het juist daardoor wel. Hij ontregelt in zijn eentje het beeld dat vrijwel iedereen van een rockband heeft; puisterige twintigers die de wereld een trap onder de hol willen geven. In zijn pak is Casey meer punk dan al deze gasten bij elkaar.

Ondertussen speelt hij met de rest van Protomartyr een vlammende set, die voor het grootste gedeelte bestaat uit liedjes van het Triple-AAA album The Agent Intellect. Casey praat-zingt eroverheen, iets schreeuweriger dan op het album, al begint hij naarmate het concert vordert wel steeds beter te klinken. Het gitaarwerk van Greg Ahee is minimalistisch maar spot-on, ietwat weggemixt om volop ruimte te bieden aan bas en drums. Het beste voorbeeld daarvan in het concert is Why Does It Shake?, met slechts om de twee maten een gitaarakkoord, totdat Protomartyr met het refrein de boel flink ontregelt. Hoogtepunt Protomartyr is elke seconde spannend. Die spanning is afwezig bij Swervedriver direct daarna in de grotere Ronda. Vanaf de eerste seconde daar is duidelijk dat wat je hoort, je ook de rest van het concert zult horen: left-of-the-dial, jaren 90 shoegaze.

Op de prime time van even na 23.00 uur elders in het gebouw niet te missen: de eenmalige Nederlandse reünieshow van Belgische band Evil Superstars, onder leiding van het immer even maniakale als sexy podiumbeest Mauro Pawlowski. Na slechts twee EP’s en twee albums in een paar jaar tijd was het eind jaren negentig alweer gedaan, zeventien jaar verder kunnen we nog een keer genieten van deze krankzinnige rock ‘n’ roll met naast Pawlowski ook een fanatieke gitarist Tim Vanhamel op de voorgrond. De Ronda is binnen de kortste keren verpletterd door de logge monsterriff en dito groove van 1.000.000 Demons Can’t Be Wrong, waarna de Superstars zich in een rotvaart een weg door hun beste en heftigste werk banen, ondersteund door mooi lelijke animatievisuals. Iedereen die enorme vagina tijdens glijdende sekssong B.A.B.Y. gezien?

Die kun je bijna niet gemist hebben, of je moet gestruikeld zijn over de belachelijke start-stop breaks van Rock Against Romance (‘kill that beat!’) of If You Cry I’ll Go To Hell. “I can’t seem to fuck things up,” croonen Pawlowski en Vanhamel verderop in de gelijknamige dreunende song. Nu ja, een enkel langgerekt stuk dat we niet herkennen van de platen dreint misschien te lang voort, maar Millionnaire-song I’m On A High, een ontspoorde noisefinale in Darkagedisco en hun enige heuse popsingle It’s A Sad Sad Planet in opgevoerde versie maken dit op een verpletterende manier goed. Mag dit dan alstublieft toch een blijvende terugkeer zijn?


Evil Superstars. Foto: Jelmer de Haas

Over verpletterend gesproken: zo bezeten als in de afgeladen Pandora-zaal zagen we het Canadese Viet Cong nog niet eerder te keer gaan. Als er bij eerdere, weliswaar al goede optredens nog sprake kon zijn van een soort schroom of wisselvalligheid, dan is hier bij deze tweede Le Guess Who?-doortocht van de band geen sprake meer van. Viet Cong vuurt het dwarse riffsaldo van Bunker Buster preciezer af dan ooit en laat zich in een kwartier klokkende slotsong Death eindelijk helemaal gaan, zoals we het altijd al wensten te zien en strakker dan ooit. Daar verandert een opnieuw wat laf geluid in Pandora – net als bij Ought een avond eerder – niets aan. Maar toch: de gitaren van bands als Viet Cong horen niet op de achtergrond. Die mogen best een beetje pijn doen.

In Ronda bij Blanck Mass, soloproject van Fuck Buttons-lid Benjamin John Powers, gaat het gigantische geluid wel van standje genadeloos tot ronduit oorsplijtend. Wat Powers nu precies live doet met zijn apparatuur, is moeilijk te zeggen. Het klinkt vooral alsof hij zijn Triple AAA-album Dumb Flesh op het hoogste volume afspeelt, al schuren de hardste elektronicagolven vanaf het podium nog net een stukje gemener. Een minder fantasieloze lichtshow en sterkere visuals hadden het effect van de muziek nog verder kunnen versterken om zo de zaal tot waanzin te brengen, maar daar is geen sprake van. Hoewel de close-ups van een menselijk huig in combinatie met het overrompelende geluid wel in het geheugen zal blijven hangen.

Tegelijkertijd met Blanck Mass speelt Liima 28 roltrappen hoog in Cloud Nine. Liima is feitelijk Efterklang+: het Deense trio Casper Clausen, Rasmus Stolberg en Mads Brauer aangevuld met de Finse percussionist Tatu Rönkkö. Die heeft voor de gelegenheid een deel van zijn huisraad meegenomen; naast hem staat een strijkplank met enkele pannen eraan vastgetapet als percussie-instrumenten.
Tezamen scheppen de vier een sound die doet denken aan de elektronica van Depeche Mode, al ligt bij Liima logischerwijs minder nadruk op echte popliedjes. Boven de volle galm van de keyboards klinken heel helder de drum, bas en meerstemmige zang. Dat klinkt prima, maar al te lang blijven we niet, om niet nog eens voor een gesloten deur te staan bij Pandora.

Daar zorgt de New Yorkse noiseband A Place To Bury Strangers vanaf de eerste minuten voor de totale ontsporing. De band van Oliver Ackermann opereert het eerste half uur in full frontal punkmodus, waarbij de gitaren binnen de eerste minuten al door de lucht vliegen - andere liefde voor het instrument, inderdaad - en een doffe muur van herrie zo’n 700 man publiek om de oren beukt. A Place To Bury Strangers zoekt het tegenwoordig meer in extremen en speelt compromislozer, en toch is de impact van hun show minder groot dan pakweg vijf jaar terug. Dat ligt niet alleen aan een wederom beroerde geluidsmix in Pandora (veel doffe klappen overstemmen het gitaargeraas), maar ook aan de acties van de band. Tussen het publiek met gitaar, apparatuur en laserlichten spelen is leuk, maar niet als het enkel onbeluisterbare, overstuurde beats oplevert. De finale met ouder nummer I Lived My Life In The Shadow Of Your Heart doet je beseffen wat de band ooit zoveel beter maken: het verwerken van meedogenloze geluidsterreur in écht sterke liedjes. Dat horen we vanavond ondanks de prettig opgefokter mindset nauwelijks, met debiele machosong Deeper als, mja, dieptepunt.

Tegelijkertijd lijkt de Helling net als een nacht eerder een totaal andere wereld dan TivoliVredenburg. Niet in het minste dankzij Noorse cultband Virus. Ook bekend van die zanger in een bureaustoel, omdat hij zo’n tien jaar terug in een zatte bui van vier hoog zou zijn gesprongen. Het doet niets aan de strakheid waarmee Virus hun progrock met black metal invloeden brengt. Net als bij Om een avond eerder wordt de Helling getrakteerd op zestig minuten vakkunst. Muziek die ademt, die geen batterij aan effectpedalen nodig heeft en vooral permanent weet te boeien. Een streepje klasse voor een select publiek, ver weg van alle drukte die zich in Pandora rond Viet Cong en APTBS afspeelt. Het helpt natuurlijk dat de mix in Helling wél goed zit.

Een beladen maar zeer boeiende dag kan prima afgesloten worden met een feestje in Ekko. Lee Gamble komt er echter pas op het einde echt in en het volume van zijn dj-set overstemt nooit het gedruis van een zaal die voor een groot deel uit muzikanten bestaat. Ook dat is het mooie aan Le Guess Who?, zoveel gelijkgestemde muzikanten in het wild. En zo loop je Mauro Pawlowski nog eens tegen het lijf in de WC’s.

Verslag: Joris Rietbroek (o.a. Evil Superstars, Viet Cong, APTBS), Marc Puyol-Hennin (o.a. Deaf Center, Lubomyr Melnyk, Virus) en Mark van der Heijden (o.a. Protomartyr). Lees ook over de donderdag van Le Guess Who?



comments powered by Disqus