nieuws, concertverslag

Perfect Sigur Rós vergeet écht te verpletteren

Joris, Woensdag 29 08 2012, 11:47

Perfect Sigur Rós vergeet écht te verpletteren

Sigur Rós in Paradiso.

Sigur Rós in Paradiso. Pure perfectie voor een devoot, doodstil publiek. Dat zou meteen het complete verslag van de eerste van twee Sigur Rós-shows in Amsterdam kunnen zijn. Maar zo makkelijk maken we er ons natuurlijk niet vanaf. Want toch wringt er de volgende morgen nog iets, zonder preces te weten wát.

Ondergetekende was hoe dan ook klaar om weer zowel fysiek als mentaal verpletterd te worden door de IJslanders, aangevuld met zeven strijkers en blazers nog wel, maar dat gevoel bleef uit. What happened? En gaf Sigur Rós dan een middelmatig concert? Oh nee, dat is het ook weer niet... Niet genoten? Zeker wel! Alles voor een gedenkwaardige avond Sigur Rós zie je voor aanvang al klaar staan op en boven het podium: de microfoons voor strijkers en blazers, een fraaie podiumsetting plus eigen lichtshow, een enorm doek tot het plafond van Paradiso voor de visuals en, zo blijkt al gauw even na 20.30 uur, een band in vorm en zanger Jónsi Birgisson die fabelachtig goed bij stem is.

Zijn ene na de andere ijzig hoge uithaal lijkt hij er soepeler dan ooit uit te persen. Nog altijd zeer bewonderenswaardig. Intussen zijn licht en visuals feitelijk vrij eenvoudig, maar wel zo goed ingezet dat het bijdraagt aan de totaalervaring. Ook op de zijmuren van Paradiso zijn de projecties te zien, alsof je zo als toeschouwer in een soort aquarium bent beland.

Een vertrouwd plaatje, maar zodoende dus ook: weinig verrassingen, althans voor hen die de band vaker aan het werk zagen. Op de opening van een semi-akoestisch walsje met belletjes en orgel na dan, dat plots uiteen wordt gereten door de geluidsorkaan van Í gær (een stuk van Hvarf/Heim), terwijl de hele zaal baadt in fel wit licht. Een spectaculaire opening. Ook nog verrassend: je zou zeggen dat Sigur Rós na vier jaar weer op tournee is ter ere van nieuwste album Valtari. Maar van deze plaat komen in twee uur tijd slechts twee nummers voorbij, waarvan Ekki Muk in de toegift. Vindt de band zelf het jongste kindje stiekem ook niet zo mooi en lief als de oudere broers en zussen, net als pers en fans?

Dat zou zomaar kunnen en de exacte inhoud van de (overigens mooie) setlist wijst hierop. Na die denderende Í gær-opening duikt Sigur Rós een ruim uur het verleden van 2005 en vroeger in. Terug naar de eigen wortels van langgerekte, zo zorgvuldig mogelijk opgebouwde composities dus, met hier en daar een gigantische geiseruitbarsting. Van de ‘pop’-uitstapjes op Með Suð Í Eyrum Við Spilum Endalaust uit 2008 krijgen we vanavond niets te horen, ook de ambientstukken van Valtari blijven achterwege. Op zich niet erg, want die waren ook minder indrukwekkend dan de mooiste stukken van vroegere platen Ágætis Byrjun, de ‘haakjesplaat’ ( ) of Takk...   

En zeker in de reguliere set krijgt Paradiso vooral veel van dat geliefde Ágætis Byrjun uit 1999 te horen, nagenoeg het halve album. Ný Batteri klinkt met exact de juiste ondersteuning van strijkers en blazers precies als op plaat, maar dan nog een tik intenser dankzij Birgisson’s kenmerkende gestrijk op zijn gitaar. De subtiele ( )-opener Vaka speelde de band niet vaak live en zwelt met hulp van de gastmuzikanten formidabel af en aan, totdat het in de zaal weer helemaal stil is. Want ja, heel Paradiso houdt twee uur  lang bijna letterlijk de adem in en zelfs vanuit de hoek bij de de bar is vanaf de eerste minuut geen gebabbel meer te horen. Dat zagen we eerder enkel Belle and Sebastian en Sufjan Stevens voor elkaar krijgen. Als hun concerten al een tijdje bezig waren.

Ergens halverwege het concert durft Sigur Rós het zelfs aan om middenin het euforische Viðrar Vel Til Loftárása (wederom van Ágætis Byrjun) zeker 30 seconden compleet stil te vallen. Tot het iets ongemakkelijk wordt, maar er klinkt geen gejoel. Zó hangt Paradiso dus aan de lippen van de band: los van een ergens binnenkomend sms’je blijft in de hele zaal een indrukwekkende stilte hangen. Een zeldzaamheid, door Sigur Rós met schijnbaar gemak voor elkaar gekregen. Wie kan ze dat navertellen? Viðrar Vel Til Loftárása hoorden we intussen zelden zo mooi als met de versterking van deze groep blazers en strijkers. Geldt ook voor Olsen Olsen en het enige Með Suð Í Eyrum...-nummer van de avond: Festival. Een van de echt ontroerende momenten van de avond dankzij die magnifieke open melodie in de climax, waar de elf muzikanten minutenlang naartoe opbouwen. Slotstuk van de set Hafsól volgt een soortgelijk patroon, tot er na de gejaagde finale alleen nog een fluit weerklinkt.

De heftigste, meest intense stukken blijken dan nog voor de toegift bewaard: na Ekki Muk wordt het altijd razend eindigende Glósóli juichend ontvangen. En er is zelfs even tijd voor lucht en een lachje, als het intro van het nummer abrupt wordt afgebroken door een foutje. De fan weet vervolgens allang waar ook dit concert mee eindigt: met het aardsdonkere Popplagio, dat zich steevast ontwikkelt tot die geluidsstormen van  wanhoop waaruit ontsnappen onmogelijk is. Zouden we ook niet willen: die hadden nog een uur mogen door woeden.

Klinkt als een perfect Sigur Rós-concert, niet? Alles is relatief, en het staat vast dat Sigur Rós na al die jaren nog altijd one of a kind is, oftewel met niets of niemand te vergelijken. Maar hoe voorbeeldig en mooi deze set in Paradiso ook gespeeld is: we hebben de band in het verleden het vele oudere werk simpelweg wel eens verbetener en intenser zien en horen spelen. In concerten met een nog strakkere spanningsboog bovendien, in plaats van een verzameling prachtige losse stukken. Interactie met het publiek is bij Sigur Rós verder nooit core business geweest – de muziek doet het werk – , maar deze avond lijkt er toch echt meer afstand te zijn tussen enerzijds de naar totale perfectie strevende groep en anderzijds het in devote stilte genietende publiek.  Dankzij intensere ervaringen uit het verleden maakt zelfs een grootheid als Sigur Rós dan toch minder indruk dan voorheen. Alsof die verdraaide perfectie toch iéts van het leven en de emotie uit de muziek trekt, dat maak je vaker mee. Al kun je het natuurlijk ook als knap zien dat Jónsi zijn al net zo unieke stemgeluid door de jaren heen nog beter is gaan beheersen.

Te kritisch? Toch niet: Sigur Rós zelf heeft de lat immers zo torenhoog gelegd. Ietwat flauw misschien, maar op Lowlands 2008 bijvoorbeeld, waar door magie in de lucht en een klik de wisselwerking tussen band en publiek voelbaar was en mensen elkaar huilend van geluk in de armen vielen. Dat gebeurde dit keer in Paradiso niet. Wat niet wegneemt: nog altijd genoten, enkele gelukzalige momenten, maar ook constateren dat Sigur Rós met deze weliswaar muzikaal perfecte terugkeer naar de eigen roots nu echt aan het eind van zijn ontwikkeling lijkt te zijn gearriveerd.

Momentje, de reacties worden opgehaald...

Reageer
Je reageert op ..
Van




Inhoud