London Calling, dag 1: Grimes brengt Paradiso tot het kookpunt
Grimes live. Foto: Kevin N. Murphy (CC)
Voor festival Indiestad kon de Amsterdamse muziekvreter de afgelopen week in meerdere kerken en knusse zalen als Bitterzoet en OT 301 terecht. Maar voor een nieuwe editie van het welbekende London Calling dat bij dit festival is getrokken, beperkt de actie zich op Indiestad-avond numéro vijf tot de twee zalen van Paradiso. Hoewel, ‘beperkt’... Eigenlijk niet het goede woord voor een lange avond waarop een slordige vijftien acts in diverse genres (en allang niet meer alleen uit de UK) in de voormalige kerk staan om het beste van zichzelf te laten zien.
Het is ook altijd op deze London Calling-avonden dat de kleine zaal van Paradiso al vroeg op de avond goed vol zit lekker zweterig van temperatuur is, terwijl beneden het grootste deel van het publiek nog moet binnenstromen. Iets dat later op de avond extremere vormen aan zal nemen rond de optredens van Zulu Winter en Grimes, maar bij binnenkomst voor het Schotse Kassidy is het nog business as usual.
Intussen: goeie binnenkomer hoor, deze zes Schotten uit Glasgow. Kassidy lijkt op de eerste gehoren Mumford & Sons achterna te gaan met energieke, folky liedjes die opbeurend en dik in orde zijn (Stray Cat, I Don’t Know, Oh My God). Maar intussen flirten deze harige, bebarde mannen ook met glamrock en foute jaren tachtig-hardrocksolo’s. En wonderlijk genoeg wérkt het heel aanstekelijk: hier staan namelijk stiekem al behoorlijk geoefende muzikanten – er zijn al twee albums uit –, die er ook nog eens loepzuivere koortjes uit persen. Een dansbare Franz Ferdinand-achtige riedel maakt het af: Kassidy pikt uit veel snoeppotjes, maar doet er wel iets goeds mee. Kan zo op enkele andere festivals, binnenkort.
Dat is helaas niet te zeggen voor Londens vijftal Citizens!. Dat uitroepteken mag definitief bij het grof vuil: de jongens bewijzen net als op Eurosonic eerder dit jaar enkele catchy, netjes gespeelde danspopsingles in huis te hebben (True Romance, Girlfriend, te vinden op het súf getitelde debuut Here We Are), maar ook in de grote zaal van Paradiso zit er weer totaal geen fut of pit in deze brave show. Iemand zou voor een optreden eens wat peper in de broekjes van deze jongens moeten strooien, maar de vraag is of zelfs dat zou werken.
Maar intussen hebben Brad Oberhofer en zijn bandmaten die pepermolen natuurlijk allang gejat: van Oberhofer krijgen we namelijk wel een energieke, aanstekelijke rammelpowerpopset voor de kiezen, waarin net als op debuut Time Capsules II de pakkende oh-oh-oooooh-refreintjes je om de oren vliegen. Slordig en vals als een kraai af en toe, maar dat neem je met deze spontaniteit en energie voor lief. Live durft het kwartet het bovendien een paar keer aan om de boel wat te laten ontsporen in een goeie bak lawaai, wat de spontaniteit vergroot en zelfs wat spanning brengt.
De glimlach op het gezicht blijft vervolgens hardnekkig hangen bij het zien en horen van Londenaar King Charles en zijn band. Zal ook de wereld niet veranderen met zijn vederlichte, exotische popliedjes, maar om vrolijk van te worden zijn ze wel. Soepeltjes gespeeld ook, en dan is Zijne Hoogheid bovendien een echte podiumpersoonlijkheid (kom je op London Calling lang niet altijd tegen), met zijn excentrieke kapsel, Prince-achtige moves en opmerkelijk broekpak. “Muziek als een feelgood movie”, aldus mijn buurvrouw. Klopt helemaal, al wordt het wel heel zoetsappig als er een Lion King-achtig musicalnummer voorbij komt. Dan is King Charles eróver en dat kost 'm punten, maar met zijn vlottere materiaal zou hij heel wat meer onderdanen moeten kunnen winnen.
Intussen ontstaat er filevorming in het trappenhuis van Paradiso voor de frisse jongens van Zulu Winter, die behoorlijk scoren met de singles We Should Be Swimming en Silver Tongue van hun debuut Language. In tegenstelling tot Citizens! zie je hier wel een jonge band die in ruim vier maanden met grote stappen vooruit is gegaan. Het geluid is mooi vol en zeker die vlotjes swingende, sterke singles missen hun uitwerking niet op de ramvolle zaal. Maar wel is de sound nog wat te eentonig om over een heel optreden van 40 minuten volledig te kunnen boeien, wat ook een gebrek aan nog meer écht goede liedjes blootlegt. Maar dat gaat Zulu Winter voor nu niet tegenhouden om nog een stuk verder te komen.
In de grote zaal houdt vervolgens Breton wat lomp huis met elektrorock waarvan het publiek in eerste instantie niet onder de indruk lijkt, maar meer dan de openingsnummers kunnen we er niet van zien. Want wie deze avond Claire Boucher alias Grimes in levende lijve en met eigen ogen wil zien, moet vroeg in de kleine zaal zijn. Die puilt al bijna een half uur voor haar set volledig uit, met een snel oplopende temperatuur en een boel duw- en trekwerk tot gevolg zoals we zelden op London Calling zagen. Het regent klachten op Twitter over ‘blunders van de programmeurs’, maar laat Boucher er in goed overleg nu zelf voor gekozen hebben om juist in de kleine zaal te staan. Omdat ze alleen optreedt, had ze in de grote zaal inderdaad zomaar kunnen verzuipen.
Maar niet in de kokend hete bovenzaal, die al bijkans ontploft als Grimes opkomt en haar beats aanzet, slechts belicht door vijf tot zes spots. Met een onherkenbare opening stelt ze het geduld nog even op de proef , maar dan gaat Boucher loos met sterke tracks van haar derde album Visions: Circumambient en Be A Body. De basis van die net zo futuristisch als kinderlijk naïeve elektropoptracks is voorgeprogrammeerd en zo niet echt ‘live’ natuurlijk, maar Boucher is intussen loei druk met het bedienen van haar samplers, het samplen en oppitchen van haar eigen stem en tussen de bedrijven door innemend performen, met goede zang en strak getimede armgebaren. Ongeveer 500 tot op de onderbroek bezwete mannen en vrouwen kunnen de ogen amper van haar afhouden.
En dan moeten de hits nog komen: een explosie van euforie is er als de zwaar catchy synthlijnen van Oblivion klinken, meteen erna gevolgd door het al net zo catchy en juichend onthaalde Genesis. In de huiskamer al goeie, verslavende popliedjes met een twist, maar live op dit dreunende volume krakers van floorfillers, waarbij Claire Boucher achter haar apparatuur ook zelf zichtbaar uit haar stekkertje gaat. Jongste, donkerder single Nightmusic maakt het af, en zo zorgt de optelsom van een flinke hype, de spanning en drukte vooraf en de jubelende ontlading ervoor dat deze show in het rijtje van ‘memorabele London Calling-optredens door de jaren heen’ mag. Een lijstje waar je eerder gitaarbands als Blood Red Shoes en Kaiser Chiefs in tegenkomt. Hulde.
Het is dan even schakelen om helemaal te kunnen genieten van de vuigere garage-surfpop van het Amerikaanse Howler in de grote zaal. Eerlijk is eerlijk: deze vier jongens uit Minneapolis pakken de zaken dan ook nét te (gespeeld) verveeld nonchalant aan om een grote zaal van Paradiso echt in te kunnen pakken, met rommelige tempowisselingen, een brij van geluid en bepaald niet de indrukwekkendste stembanden van de avond. Maar er zijn wel die geweldige, gruizige gitaarliedjes van debuut America Give Up. Net als eerder dit jaar in de kleine zaal veel strakker gespeelde krakers als Beach Sluts, Wailing (Making Out) en Back Of Your Neck (er mag gemosht worden) kunnen niet stuk. Verveelde rock ’n’ roll op z’n leukst, maar niet voor een veel groter publiek dan dit.
Na al dit geweld oogt en klinkt het Australische Last Dinosaurs plotseling een tikkie kleurloos – categorie ‘leuk indiepopbandje, maar overmorgen vergeten’ -, maar dan is er tot slot in de grote zaal nog de theatrale, niet van drama en operazang gespeende elektropop richting The Knife van het Canadese Austra. Frontvrouw Katie Stelmanis is dit keer in een witte rok gehuld, met het blonde haar streng bij elkaar gehouden in een paardenstaart. Het touren rond het sterke debuut Feel It Break gaat nog door en het is prettig om te merken dat Austra als liveband nog een stukje meer geolied en hechter klinkt vergeleken met de show op Incubate van vorig jaar. De vocale versterking van de twee dames op links en rechts werkt nog steeds goed in de ijzig hoge zangpartijen in favorieten als Lose It en The Choke, al zouden we die misplaatste huppeldansjes écht kunnen missen als De Toppers in de Arena. Voor dit late tijdstip een aanstekelijk gezicht voor het binnenstromende uitgaanspubliek, maar tijdens de donkerder liedjes (The Beat and The Pulse) past het slecht.
Dat neemt niet weg dat Austra voor ondergetekende een meer dan goede afsluiter is (de glimp van een erg matig Au Palais even niet meegeteld) van een van de sterkste London Calling-avonden in jaren. Het is nog eens bewezen is dat het niet langer blindstaren op het Verenigd Koninkrijk - ondanks de festivalnaam – buitengewoon goed werkt. Zaterdagavond gaat het feest door met een op papier iets minder sterke line-up, maar wie weet wat Willis Earl Beal, Spector, Hooded Fang, Team Me, Clock Opera en Japandroids allemaal voor elkaar kunnen boksen...


