Review: The Shins - Port Of Morrow
Laat het maar aan een grote band anno 2012 over om de grote aanhang nieuwsgierig te maken naar je nieuwe plaat. Af en toe een kakelvers liedje live spelen of op internet naar voren schuiven, in combinatie met het feit dat het vijf jaar geleden is dat het vorige album verscheen. Dan weet je zeker dat al snel iedereen weet dat The Shins eindelijk terug zijn sinds meesterstuk Wincing The Night Away uit 2007 en dat het nieuwe werkstuk Port Of Morrow heet.
Het risico? Het eindresultaat van tien liedjes in een minuutje of veertig kan uiteindelijk danig tegenvallen... Om met het positieve te beginnen: wat krijg je zoal bij het oppervlakkig beluisteren van dit vierde The Shins-album, het eerste in ruim vijf jaar? Lentegevoel? Check. De fijn in het gehoor liggende, uit duizenden herkenbare stem van James Mercer? Check! De nodige plezierige, heel slim allerlei kanten op bewegende zangmelodietjes? Dubbel check. De beste liedjes en melodieën van Port Of Morrow strelen weer de oren van de (indie)popliefhebber, zoals in vlotte, typische Shins-liedjes als Simple Song (zowaar het stevigste gitaarliedje), Bait and Switch en No Way Down (met een zonnig feelgood-hookje om van te smullen).
Ook tekstueel heeft realist Mercer altijd wel weer wat fraais achter de hand (‘Make me a drink strong enough to wash away the dishwater world they said was lemonade’). Intussen fluit je voor je het weet minstens de halve plaat na twee keer luisteren met gemak mee.
Dat is knap ja, maar we wisten dat Mercer dit kan. En daar wringt de schoen nogal. Hebben we hier te maken met instant catchyness of stiekem toch voorspelbaarheid? Zijn die melodieën en voorkeur voor toonladdertjes van Mercer, hoe fijn in het gehoor liggend ook, onderhand niet zo overbekend dat je bepaalde riedeltjes van mijlenver ziet aankomen? Een bedenking, maar niet eens het grootste probleem bij deze plaat: er mist er hier iets heel fundamenteels. Namelijk het gevoel dat je nog een echte bánd hoort spelen. Op zich niet verwonderlijk: James Mercer ontsloeg niet lang na Wincing The Night Away zijn hele band - er was tussendoor het Broken Bells-project met Danger Mouse - en speelde Port Of Morrow het afgelopen jaar nagenoeg in zijn eentje in Wel met hulp van enkele gastmuzikanten en producer Greg Kurstin (produceerde onder meer Lily Allen's It's Not Me, It's You)
Die heeft van alle losse partijen (drums, bas, gitaren, synths) van Mercer maar geen echt soepele, hécht klinkende liedjes weten te smeden. De sound doet alles behalve organisch, maar kunstmatig gecomprimeerd aan. Leg ter vergelijking vooral die eerste twee Shins-platen Oh, Inverted World en Chutes To Narrow er eens naast en hoor het verschil. Tot overmaat van ramp heeft Kurstin de liedjes volledig gladgestreken met een akelig steriele productie, die op z’n ergst alle leven en vreugde uit zelfs de betere liedjes heeft gezogen. Dit ondanks tal van details die op de achtergrond opduiken: koortje hier, pianotje of (onnodig) elektronisch effectje daar. Dan kan het zomaar gebeuren dat een eenvoudiger, akoestisch liedje als September nog als een van de meeste geslaagde, warmere nummers uitpakt, juist omdat de arrangementen hier relatief eenvoudig zijn gehouden. Subtiele koortjes, wat percussie en marimba-partijen vallen hier opeens wel op hun plek.
Zeiden we daar de betere liedjes? Jawel, want behalve dat het beste The Shins-werk door eerder genoemde hoogtepunten niet geëvenaard wordt – u vindt hier geen onvergetelijke aanvulling in het rijtje Saint Simon, Kissing The Lipless, New Slang, Caring Is Creepy of Phantom Limb -, kunnen we zelfs enkele zwakkere dompers noteren. Opener The Rifle’s Spiral heeft een leuk huppelritme, maar gaat te makkelijk het ene oor in en het andere oor uit. Mercer had deze plaat voor instant feelgoodness beter direct met Simple Song kunnen beginnen. Maar het zijn vooral de langzame liedjes waarbij een geeuw met moeite te onderdrukken valt; nummers die meer aansluiten op het (ook al) wisselvallige Broken Bells-album van twee jaar terug dan op het vitale Shins-werk. Taken For A Fool verzandt ondanks weer zo’n direct pakkend gitaardeuntje zelfs in iets zeurderigs – dat hadden we nooit verwacht van The Shins.
Afsluiter en titelnummer Port Of Morrow zorgt met zes minuten en die steriele productie dat dit album als een nachtkaars uit gaat, voor zover het heilige vuurtje tot dat moment ook echt opgelaaid was. Niet alleen qua geluid, maar ook qua (net wat vlakkere) liedjes kan Port Of Morrow zich uiteindelijk niet meten met de voorgangers, ondanks enkele mooie momenten. Dat is uiteindelijk het belangrijkste en dat mag je na vijf jaar wachten gerust een flinke teleurstelling noemen. Er staat ‘The Shins’ op het hoesje, maar meer dan ooit is dit een uiterst wisselvallige James Mercer-soloplaat. Of een volgende, aardige Broken Bells-plaat met een Shins-jasje aan.



