Le Guess Who?, de zaterdag: intens Suuns spant de perfecte spanningsboog
Vanuit de kou die steeds doordringender wordt, zoeken we op deze derde avond van het Utrechtse Le Guess Who?-festival ons heil eerst in Tivoli Oudegracht om eerst de vrolijk exotische en opzwepende indiepop van Fool’s Gold mee te maken. Voor een nog relatief rustige zaal begint de band meteen met een fijn swingend optreden: iele afropop-gitaarloopjes, funky basloopjes, zoete zanglijnen, licht chaotische saxofoonsolo's en natuurlijk steady doch heerlijk swingende ritmes aangevuld met springerige percussie.
Een mix waarop het onmogelijk is niet op zijn minst mee te wiegen. De band wordt even wat tegengewerkt door falende techniek: de monitoren van de heren geven flinke kraken of zelfs helemaal geen geluid, hoewel daar in de zaal niets van te merken is. Gelukkig last de band zich daar tijdens de nummers niet door uit het veld slaan: 'Fuck it, let's just play. Worst things have happened to better people', is het eigen devies. Precies de woorden die je als publiek wil horen. Na een paar nummers is het gelukkig alsnog lekker druk.
Dat de band vanavond als opener staat geprogrammeerd, betekent ook dat het het lastiger is het publiek mee te krijgen dan wanneer Fool’s Gold later had gespeeld. Maar tegelijkertijd is dat ook een teken hoe sterk de programmering deze avond is. Je hoort in ieder geval niemand klagen over deze opener, die op een heerlijke manier een vrolijk gestemde grote zaal de avond in stuurt. Zeker wanneer tegen het eind Surprise Hotel wordt gespeeld en de band er nog even extra lustig op los jamt. Goud indeed.
Een totaal contrast hierop vormt de opening in Ekko, waar A Winged Victory For The Sullen optreedt, het ambient cq. neo-klassieke project van Adam Wiltzie (Stars of the Lid, in het verleden ook Sparklehorse) en componist Dustin O’Halloran. “Good evening, we are going to play seven songs about dead people and broken hearts, and we hope you enjoy yourselves.” Voor het optreden op Le Guess Who? wordt tweetal zeer fraai aangevuld door een strijkersensemble uit Amsterdam. De wat droefgeestige vioolklanken smelten perfect samen in de lang opgerekte geluidsgolven die Wiltzie en O’Halloran uit hun apparatuur toveren, zelf zichtbaar intens opgaand in hun muziek. Een deel van het stille, aandachtige publiek in Ekko gaat er maar bij op de vloer zitten, om zo alles in alle rust en met gesloten ogen over zich heen te laten komen, af en toe nog een blik werpend op de visuals links en rechts, van wolkenpartijen of de maan met de kraters zichtbaar. Met meer volume dan je in je huiskamer kunt genereren en de toevoeging van de strijkers klinkt A Winged Victory... op deze manier nog warmer, intenser en mooier dan op het gelijknamige album. En dat is geen geringe prestatie. Hopelijk is dit voor deze muzikanten inmiddels meer dan een uitstapje geworden en krijgen we in de toekomst meer van dit voorgeschoteld.
Geluidsgolven van een heel ander, ruiger soort waaien ons tegemoet als Canadese band The Besnard Lakes net begonnen is in Tivoli de Helling. Laatste album The Besnard Lakes Are The Roaring Lights - een van de favorieten van 2010 - is alweer anderhalf jaar oud, maar onlangs verscheen wel de You Lived In The City-EP, met muziek voor een documentaire. Bij dit optreden is het echter dat jongste album waar veel mooie, uitgesponnen nummers van worden gespeeld, en goed, bevlogen en bij vlagen intens ook. Alleen al bij opener Glass Printer zijn de opgetrokken galmende shoegazegitaarmuren nauwelijks te beklimmen, maar de weidse zangmelodieën blijven wonderwel overeind. Het opmerkelijk ogende echtpaar Jace Lasek (lang krullend haar, opvallend bebrild) en Olga Goreas (klein van stuk, kinderlijke paardenstaartjes) vormt de spil van The Besnard Lakes.
De sfeer van hun muziek en hun bij vlagen zeer mooie samenzang doet wat aan Low denken (zagen we een avond eerder nog), maar dan stukken steviger, soms vrij heftig rockend zelfs. Het met psychedelische gitaren volgestopte Albatross blinkt uit met geslaagde Beach Boys-achtige koortjes, het tragere Chicago Train dankzij de onheilspellende sfeer, terwijl het uptempo And This Is What We Call Progress onverminderd doordendert. Hooguit als Goreas vocaal de leiding neemt, hapert de machine iets, omdat haar stem lang niet zo krachtig blijkt als die van haar echtgenoot. De flauwe grapjes van de band tussendoor doorbreken de spanning intussen wel heel erg, maar dat is The Besnard Lakes snel vergeven. Na drie kwartier en een liedje of acht is het optreden alweer voorbij – festivals hè... – en is er enkel honger naar meer van dit moois.
Een honger die het Amerikaanse Okkervil River (inderdaad, de meren monden uit in de rivier vandaag) even later helaas niet weet te stillen. Met nieuwe plaat I Am Very Far heeft de in indierock met Americana-rand gespecialiseerde band rond zanger Will Sheff alle subtiliteiten van vorige mooie albums als The Stage Names en Black Sheep Boy in de prullenbak gegooid, ten gunste van emmers bombast met stadion-pretenties. Daar is Sheff echt de zanger niet naar; een nachtegaaltje is hij nooit geweest, maar het is ronduit schrijnend om te horen hoe hij zich bijna continu meent te moeten overschreeuwen en daardoor veel liedjes om zeep helpt. Ook de drummer helpt een handje mee; die kent blijkbaar alleen het standje ‘ferm doorbeuken op stadionkracht’. Dat doet het van de nieuwe plaat afkomstige, nog best mooie We Need A Myth geen goed, maar ouder werk als John Allyn Smith Sails (met Sloop John B.-citaten), Our Life Is Not A Movie Or Maybe of Black al helemaal niet. En waar zijn de mooiste rustpunten als A Girl In Port of A Stone gebleven? Zeer zonde: Okkervil River is ons op deze manier echt kwijt.

Still Corners
Onlangs waren we behoorlijk onder de indruk van het debuut Creatures Of An Hour van het Londense Still Corners. De band klinkt met toevoeging van livedrums en -bas op het podium iets organischer en minder koeltjes dan op plaat, maar toch is Still Corners even wennen na het uptempo Fool’s Gold. Live horen we ineens een heel andere kant van de band: Still Corners ontpopt zich tot een jaren '60 psychedelicaband met lieflijke meisjeszang van Tessa Murray. Het psychedelische gevoel van de show wordt nog eens extra kracht bijgezet door de twee grote schermen achter het podium waarop duistere, spookachtige beelden worden geprojecteerd. Niet vreemd overigens: Glen Hughes, oprichter van de band, zegt immers voor zijn muziek geïnspireerd te zijn door oude thrillers en horrorfilms. In contrast met de uitstraling van het schattige meisje in lieflijk schooltenue voorop het podium, vormt het een mooi surrealistisch beeld.
We zouden ons graag mee laten voeren in de droomwereld die de band opbouwt, maar live lukt dat toch een stuk minder goed dan op plaat. Hoewel de band hard zijn best doet, is Still Corners live nog niet zo bezwerend als het zou kunnen zijn. Het geluid is soms wat dofjes, maar wat vooral stoort is de soms helemaal niet zuivere zang van Murray. Bij het publiek lijkt het optreden ook nog niet helemaal te vallen, te merken aan het luidruchtige geklets door de hele zaal. Heel jammer, want dat heeft zeker zijn weerslag op de band die stiekem toch een aardig arsenaal aan heel goede liedjes heeft (live zelfs aangevuld met een Springsteen-cover van I’m On Fire). In intiemere setting en met iets meer podiumervaring had dit veel beter geweest.
Met nieuw album Conatus en daarmee ook een flink aantal tourdata in de agenda is Zola Jesus inmiddels uitgegroeid tot een zeer krachtige liveband. Achteraan het podium zien we een beest van drummer – met Danzig-shirt en al - die letterlijk zijn hele lijf in het drukwerk legt. Het resultaat is een combinatie van stompende beats, verschillende lagen synths (drie toetsenisten op het podium!) en de vaak smekende zang van de oorspronkelijk Russische Nika Danilova, vol overgave gezongen. Laat duidelijk zijn: deze band gaat voor het volle pond, voor maximale impact. De zang ligt flink bovenop de mix, waardoor subtiliteiten in de muziek wegvallen, maar gelukkig draagt Danilova haar taak met gemak. Ook wordt vanavond weer duidelijk hoeveel sterke liedjes Zola Jesus inmiddels heeft om uit te putten, met de in korte tijd opgebouwde imposante discografie.
De vertaling naar het podium is duidelijk doordacht: waar Zola Jesus op plaat soms wat statisch kan klinken, is het live stuwender en veel levendiger. Wat je daarbij wel op de koop toe moet nemen zijn de grootse, pretentieuze gebaren. Dat wordt soms echt te veel, zeker als het om al die semi-spirituele en pathetische armgebaren gaat. Met een iets meer down-to-earth presentatie zou deze show nog beter overkomen op een groter publiek. Een bijkomend nadeel is dat er nu nergens meer ruimte is voor nog een schepje er bovenop: Zola Jesus laat één massale set horen. Vooruit, misschien met uitzondering van afsluiter Vessel dan misschien, waarbij nog even het uiterste kunnen van het geluidssysteem op de proef wordt gesteld. Hoe dan ook: een heerlijke band voor Le Guess Who? op dit tijdstip en deze plek.

Suuns (archieffoto: Hanneke Goldsteen)
Een van de nieuwere bands die het afgelopen jaar het vaakst live zagen, is het Canadese Suuns. Dat de band inmiddels een ijzersterke livereputatie heeft, blijkt ook wel aan het publiek dat masaal samendringt in Tivoli Oudegracht, ook geholpen door een knap staaltje programmering op dit tijdstip met verder weinig concurrentie. De laatste keer dat we Suuns zagen was op Lowlands, wat door het erbarmelijke geluid niet bepaald de show opleverde die het kwartet in huis heeft. Suuns is tot veel meer in staat, zo wordt met dit ‘headlinerslot’ in Utrecht wél (wederom) bewezen. Allereerst is er dit keer wel een goede geluidsmix, al had het volume nog een tik harder gemogen. Daarnaast is Suuns deze avond de eerste band die duidelijk écht begrijpt hoe een set opgebouwd moet worden.
Suuns begint met diepe, donkere en pulserende grooves (het nieuwe Red Song, Armed For Peace), schuift op naar hypnotiserende kraut (Gaze) om vervolgens op jankende, chaotische rock en venijnige noise uit te komen (Marauder). En dat met nog alleen maar het debuut Zeroes CQ op naam, aangevuld met de achterlijk sterke dubbelsingle Bambi/Red Song; beide songs komen er in Tivoli nog een stuk dwingender en dreigender uit. Suuns is in korte tijd steeds geperfectioneerder liveshows gaan geven, met duidelijk oor voor de kleinste details en soms ook subtiel spelend, zonder daarbij de aandacht van het publiek kwijt te raken. Suuns is ongrijpbaar, de band broeit en de zaal gaat daar voor een groot deel makkelijk in mee, wat een prachtig gezicht is. Het is immers toch een behoorlijk uitdagende band: Suuns kiest vaak juist niet voor de makkelijkste aanpak van het megahard rocken, maar speelt op een ontzagwekkende manier met het uitstellen van het hoogtepunt. Deze show is een ode aan het fenomeen dat spanningsboog heet, met de ware ontlading in het laatste nummer (de meest uitgesponnen en felle versie van Sweet Nothings die we na vijf keer Suuns live beleefden) en gelukkig nog een - noodzakelijke - toegift.
Suuns is een band die tonnen lef toont, net zoveel als de organisatie van Le Guess Who? die hen als headliner op zaterdag in de Oudegracht neerzette Gedurfd, maar het pakt wonderlijk uit. Zowel band als organisatie verdienen daarvoor groot respect.
We willen nog even kort afdansen, maar houden het bij Loops Haunt al snel voor gezien: geen subtiliteiten, maar lomp hakkende beats waar we even niet op zitten te wachten. Geen probleem hoor, we zijn helemaal voldaan, met uiteraard nog wel ruimte voor het toetje in de vorm van de vierde en laatste dag van het festival.
Verslag: Barry Spooren (Fool's Gold, Still Corners, Zola Jesus, Suuns) en Joris Rietbroek (A Winged Victory... The Besnard Lakes, Okkervil River) Meer verslagen en andere Le Guess Who?-artikelen (muziek, mixtapes) op onze Le Guess Who? 2011-festivalpagina.


